Interview

Glaskunst, gemengde techniek en fotografie

Michel van Overbeeke opende voorjaar 2015 samen met Joke Stoute een galerie aan de Kruisweg in Haarlem in een pand waar destijds van 1914 tot 1946 kunsthandel J.H.de Bois gevestigd was en waar hij als jongen voor het eerst in aanraking kwam met schoonheid, sensualiteit en creativiteit. Meestal geeft hij er tegenwoordig hedendaagse kunstenaars de ruimte om hun werk te tonen. Slechts een enkele keer exposeert hij eigen werk, zoals nu met een tentoonstelling zonder naam en titel als fin-de-saison-expositie: glasobjecten, foto’s en gemengde technieken.

Auteur: Nuel Gieles

Van Overbeekes verhaal over licht en duisternis

De belangstelling van Michel van Overbeeke (’s Gravenhage,1942) reikt wijd. ,,In beginsel draait mijn werk om het leven zelf. Niet het zichtbare, maar juist het niet-zichtbare, het niet-denkbare leven. Dat emotionele, ongrijpbare deel van de mens en het menszijn houdt me bezig en inspireert me. Het bevindt zich vaak nog in een denken dat zich niet zomaar laat vertalen in een basaal scheppingsverhaal: Adam en Eva die een appeltje eten…, dat is te gemakkelijk’’

Kennis in plaats van gevoel

,,Nee, in allerlei culturen komen soortgelijke verhalen terug. Ons christelijke scheppingsverhaal is heel helder, want het resultaat van eten van de boom van goed en kwaad, is dat ze verstoten worden uit het paradijs. Waar het daar misgaat, is dat kennis de leidraad van de mens wordt, in plaats van de kern van het leven zelf.’’

Achter de kunst van Van Overbeeke schuilt een manier van kijken naar het bestaan, het leven en de samenleving. ,,Het scheppingsverhaal uit het Oude Testament in de Bijbel is een metafoor die jammer genoeg vaak letterlijk is genomen. De evolutie speelt zich in zes dagen af. En nu zijn we aangeland in de zevende. Dat aloude verhaal gaat volgens mij vooral over licht en duisternis. Als we licht en donker niet afzonderlijk zouden kunnen benoemen, zouden ze niet eens kunnen bestaan in relatie tot elkaar. Maar ze worden ook niet alleen bepaald door hun ultieme contrast. De intensiteit van het zwart dat ik gebruik varieert. Zwart is de afwezigheid van kleur, maar ook de absorpsie van alle licht en kleuren. Dat maakt het zo fascinerend… Alles zit erin.’’

Zwaan

Dat geldt voor de zwart-witfoto’s van vrouwelijke naakten net zo goed als voor de gemengde technieken, alsook voor de glasobjecten die een bijzondere plaats innemen in galerie. In de etalage aan de Kruisweg trekt een witte zwaan op een goudkleurige drieteens-voet des kijkers aandacht. Het is een verwijzing naar Petrus’ verloochening van Christus, legt de kunstenaar uit.

Handschrift

De glaskunst kwam op zijn pad toen Michel van Overbeeke tijdens een biënnale in 1995 kennismaakte met Galerie Katuin in Groningen. ,,Het glas dat ik nu laat zien, dateert van ongeveer twintig jaar geleden. De techniek heb ik geleerd in Venetië en Tsjechië. Het Italiaanse glas is zachter doordat er meer lood in zit, waardoor je het makkelijker en langer kunt blijven vormen. Ook zijn de kleurmogelijkheden groter. In Tsjechië werkte ik met een team bestaande uit een meesterblazer en twee hulpblazers.Het is trouwens niet makkelijk om een meesterblazer te vinden die kan uitvoeren wat je in gedachte hebt.

Doodgaan en leven

Maar identiek en identiteit hoeven niet per definitie veelzijdigheid uit te sluiten, zo blijkt als je de foto’s van de galeriehouder-kunstenaar in ogenschouw neemt. ,,Fotografie houdt me m’n leven lang al bezig. Fysiek moest ik een jaar of achttien terug stoppen met etsen. Daar is de fotografie voor in de plaats gekomen, die als vervanger voor de grafiek het professionele werkveld kwam binnengeslopen, zoals modelfotografie, het bos, de natuur, de ruimte, zeg maar elementen die altijd een hoofdrol in mijn werk hebben gespeeld. Het proces van leren leven en leren doodgaan vormen de grond onder alles wat ik maak.’’

Rode schoenen

Michel van Overbeeke zet, waarschijnlijk onbedoeld, zijn woorden even kracht bij met een voetbeweging van het been dat hij zittend, losjes over het andere heeft geslagen. Het valt me op dat hij een paar rode schoenen draagt. Aan de fotowand hangt een beeld van hetzelfde paar schoenen gefotografeerd op een grafzerk in de Sint-Jans-kathedraal in Den Bosch. De kleur van liefde op een plek van verleden leven als een metafoor van vergankelijk menszijn en de kunst die desondanks voortbestaat.

Tekenaar Joost Swarte is op avontuur met pen en potlood en ideeënrijkdom

Joost Swarte

De omschrijving ‘grafisch ontwerper’ komt op het eerste oog het meest van pas om de veelzijdigheid van de Haarlemse tekenaar Joost Swarte te omvatten. Tegelijkertijd doet die definitie dit artistieke multi-talent juist te kort. Striptekenaar, cartoonist, illustrator, organisator, ambachtsman, avonturier… ‘En al ben ik dan geen bouwkundige of architect, ik ontwerp wel gebouwen’. Rondom de Stripdagen 2022 zijn twee exposities van werk van Joost Swarte te zien. Teylers Museum toont van 3 juni tot 30 oktober Swartes ‘Ode aan het boek’ en in Kruis-Weg68, op loopafstand van het NS-station, getuigen originele tekeningen in kleur en zwart-wit en een aantal piëzografieën van het tekenaarschap en de veelzijdigheid van de graficus, die vlak voor kerstmis van het jaar 1947 in Heemstede geboren werd.

Bij binnenkomst in galerie KRUIS-WEG68 – pas op het afstapje – ziet de kijker direct tegenover zich op de wand een aantal originele illustraties die Swarte heeft gemaakt voor The New Yorker, waarvoor Joost Swarte sinds 1996 regelmatig tekeningen maakt. Hij ziet zijn illustraties niet als aanvulling op de tekst van het artikel waar hij beeld bij maakt: ,,Een goed verhaal heeft die aanvulling niet per se nodig. Als ik een tekst toegestuurd krijg, verdiep ik me er eerst in door ‘m een paar keer zorgvuldig te lezen om uit te zoeken wat voor beeld mogelijk model voor de inhoud van het stuk zou kunnen staan. Dan begin ik met een aantal droedelschetsen, waarvan je er uiteindelijk een of wat meer overhoudt. Die stuur ik dan op naar de deskundige driekoppige beeldredactie van The New Yorker. Er is iemand voor de cover, een persoon voor de binnenkant, en een ander speciaal voor de cartoons. De tekening die ik maak, hoeft niet iets aan de inhoud toe te voegen. Ik zie het meer als commentaar erop, dat de lezer ook vanuit een andere invalshoek naar het verhaal gaat kijken.’’

Joost Swarte
Joost Swarte – The Tenth Planet (TNY)

Schutterdoelen

Joost Swarte kan zich niet herinneren dat hij niet tekende. Hij groeide op in Heemstede en ging naar het Mendelcollege in Haarlem. ,,Mijn ouders vroegen een bevriende kunstenaar of hij geen collega kende die ook les gaf aan jonge talenten. Iedere woensdagmiddag tekende ik in zijn atelier in de Schuttersdoelen, vooral stillevens. Af en toe gingen we er op uit en tekenden op locatie” vertelt Swarte.

Toch kiest hij na de middelbare school niet op voorhand voor een leven als tekenaar. Hij besluit in de tweede helft van de jaren 60 te kiezen voor de opleiding Industriële Vormgeving in Eindhoven. Maar het duurt niet lang tot hij in de Brabantse lichtstad kennismaakt met de blaadjes vol tekeningen van jeugdige talenten. Het leidt ertoe dat de jonge Joost zijn opleiding in ’69 laat voor wat die is en ervoor kiest stripverhalen te gaan tekenen. Dat mondt nauwelijks een jaar later uit in zijn striptijdschrift Modern Papier. In de jaren 70 leren steeds meer Nederlanders en Vlamingen Joost Swarte ook kennen via periodieken en tijdschriften als Vrij Nederland en Humo.

Swarte tekent en tekent, het ene verhaal na het andere. Maar na zeven-acht jaar best zwaar ambachtelijk werk achter de solitaire tekentafel, wordt het tijd voor nieuwe wegen. ,,Dat tekenen aan strips neemt behoorlijk veel tijd. Avonturen voor anderen bedenken is één. Maar dat zit het beleven van je eigen avontuur op den duur behoorlijk in de weg. Het heeft iets asociaals, in je eentje op je atelier.’

Steeds meer losse opdrachten en vrij werk voeren de pen van de tekenaar. En er blijft soms ook nog tijd over om te bekijken wat collega’s in binnen- en buitenland creatief tot stand brengen. ,,Op een gegeven moment ging ik naar het toonaangevende Stripfestival in Breda. Het zou mogelijk de laatste keer zijn dat het daar werd gehouden. Ik moest meteen denken aan een alternatief. Het zal denk ik in ’87 zijn geweest, dat het idee ontstond voor de eerste editie van de Stripdagen in Haarlem. Die kwamen er in 1992. In 1986 had ik een tentoonstelling in de Vishal, die toen nog deel uitmaakte van het Frans Hals Museum met Derk Snoep als directeur. Dat was een eyeopener. Als die nou meedoet, ga ik ook naar Eric Ebbinge van Teyler. Ook Sjef Huurdeman van het Patronaat en Frans Lommerse van de Toneelschuur wilden meedoen. Huurdeman haalde Richard Salwitz, de beroemde harmonicaspeler bekend als The Magic Dick van de J. Geils Band naar Het Patronaat. En er ging zelfs een rondvaartboot-striptocht door de grachten met muziek van Robert Crumb en zijn band The Cheap Suit Serenaders door de Haarlemse grachten. Een mooie tijd. Maar rond 2002 ben ik teruggetreden als bestuurslid van de Stripdagen. Tijd voor wat anders. En onder toenmalig directeur Joost Pollmann waren de Stripdagen in goede handen.’’

Joost Swarte – Uit ‘Kop en staart – Literaire encyclopedie met muizen’

Zwart-wit illustraties

Naast de tekeningen in kleur die Swarte maakte voor The New Yorker hangt in galerie Kruis-Weg68 een aantal zwart-wit illustraties die hij maakte voor ‘Trice Told Tales’ van de Amerikaanse schrijfster Catherine Lewis, bij uitgeverij Oog & Blik / De Bezige Bij in 2014 verschenen onder de titel ‘Kop en staart – Literaire encyclopedie met muizen’. Het gegeven. dat ten grondslag ligt aan het boek, kun je in twee regels in een kort kinderrijmpje samenvatten. Maar Lewis weet er zo’n negentig verschillende invalshoeken aan te geven, die niet alleen telkens een andere kijk op het verhaaltje bieden, maar die telkens ook nog eens een begrip uit de letterkunde toelichten. Swarte was gevraagd er een stuk of twintig tekeningen voor te maken. Toen hij de redactie een kleine negentig ‘droedelschetsen’ voor selectie voorafgaand aan de nadere uitwerking toezond, was het antwoord of hij ze niet liever allemaal drukklaar wilde maken.

,,Dat werd dus echt een project waarin ik me heb vastgebeten. Je kunt niet gedienstig volgen wat er al in letters staat. Ik lever commentaar in tekeningen. Hetzelfde geldt voor Mene Tekel van Nescio. Toen Vic van de Reijt van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar me daarvoor vroeg, was dat ook mijn uitgangspunt. Dar heb ik uiteindelijk de hele vormgeving van het boek voor gedaan. Die tekst van Nescio moet je langzaam op je laten inwerken. Daarvoor heb ik een langzaam lezende, breed lopende letter toegepast, om de nodige rust te creëren. In de loop van jaren heb ik een aantal complete alfabets ontworpen, het laatste voor de Schuur, met een magere, een halfvette en vette constructivistische letter, in samenwerking met bureau Slem, de vormgeversstudio waar de Schuur mee werkt. De lessen kalligrafie aan de academie in Eindhoven kwamen me daarbij nog goed van pas. Je leerde er van alles over de reden en manier waarop letters hun verhoudingen hebben gekregen. Het gaat niet alleen om de vorm, maar ook om de samenhang tussen de letters onderling, dat je geen inktkluitjes op elkaar krijgt. Het verschil tussen dik en dun en de ruimte tussen de letters.’’

Joost Swarte – Uit ‘Kop en staart – Literaire encyclopedie met muizen’

Artistieke raderen

Een gesprek met Joost Swarte loopt al gauw over in elkaar pakkende artistieke raderen. Van de letters voor de huidige Schuur is het maar een kleine stap naar zijn ontwerp voor de nieuwe Toneelschuur aan de Lange Begijnestraat, gerealiseerd in samenwerking met Mecanoo Architecten. En dan kom je vanzelf op de Johannes Enschedéhof, grenzend aan het oudste Haarlemse hofje, het hofje van Bakenes. ,,Daar zat ik in het ontwerpteam samen met architect Henk Döll. De oriëntatie van de woningen rond de hof, de versieringen aan de gevel in de Korte Begijnestraat, de juiste plek voor de badkamers, de lichtinval, extra bergingen, enzovoort. Je bent bezig met het plan als geheel”, aldus Swarte.

En net als je dan denkt, met de Bakenes is het verhaal weer rond, geeft de tekenaar pur sang nog maar eens aan dat zijn betrokkenheid bij alles wat hij maakt, de basis is voor de manier waarop hij werkt. ,,In de Jordaan vroegen ze me voor vier woningen in de Willemstraat. Er was een historische gevel die niet weg mocht, maar waarvan de verdiepingshoogten niet in overeenkomst was met de huidige regelgeving. Gelukkig hebben we het voor elkaar gekregen dat die pui toch mocht worden afgebroken en met dezelfde steentjes weer mocht worden opgebouwd, maar dan in hoogte aangepast. Ik had wel vooraf bedongen dat ik er, vóór het in gebruik werd genomen, met ons gezin een maand in kon proef-wonen. Zo is het gegaan.’’

Ook de woningen die momenteel worden gebouwd tussen de Tempeliersstraat en de Raamsingel, op de plek waar voorheen het gebouw van de Haarlemse Kegelbond stond, moeten volgens de gemeentelijke verordeningen aan heel wat eisen voldoen. Swarte: ,,Het gebouw was weliswaar geen monument, maar de eis vooraf was wel dat nieuwbouw in vergelijkbare architectuur en met vergelijkbare baksteen moest worden opgetrokken. Dat kun je zien als een beperking, maar ook als een uitdaging, een avontuur dat ik ben aangegaan met HER architecten.’’

‘Ode aan het boek’ in Teyler

Wie de tentoonstelling van Joost Swarte bij Kruis-Weg68 heeft gezien, kan direct doorlopen naar de tentoonstelling ‘Ode aan het boek’, die van 3 juni tot en met eind oktober in het prentenkabinet van Teylers Museum wordt gehouden. Beide exposities kunnen elkaar mooi aanvullen. Boeken zijn de kunstenaar altijd tot inspiratie geweest: ,,Ieder boek is toch altijd weer een beetje de ontdekking van de wereld als je het openslaat en doordringt tot het gedachtegoed van de maker of de schrijver. Ik weet uit ervaring hoe veel tijd en energie erin gaat zitten om iets moois op papier en gedrukt te krijgen. Ieder project is ook in dat opzicht telkens een nieuw avontuur.”

Auteur: Nuel Gieles


Luister ook eens naar deze podcast:

De Krochten – Joost Swarte

(Van ZFM Zandvoort)

Schuld en onschuld van een paardenmeisje en haar tekenaar

Met de vrije tekeningen die te zien zijn bij de expositie ‘De paardenmeisjes van Lochem’ is illustrator-tekenaar Paul van der Steen (Deventer, april 1954) terug bij af. Het ‘af’ van meer dan vijfendertig jaar geleden, voor hij zich als lokaal politiek tekenaar aan Het Parool verbond en hij bij NRC als cartoonist furore maakte. In de tentoonstelling bij KruisWeg68 komt de kijker terug bij het vrije werk en bestaan van de kunstenaar, na 35 jaar krantenwereld. Hoe vrij was dat bestaan eigenlijk al die tijd?

Niet voor het eerst is Van der Steen – hetzij als zelfstandig kunstenaar hetzij als curator – te gast in de galerie van Michel van Overbeeke en Joke Stoute. Deze keer ligt de nadruk op zijn eigen werk, terug naar waar het ooit begon, in de beslotenheid van zijn jongenskamer.

Tentoonstelling

‘De paardenmeisjes van Lochum’ is te zien van van 15 april t/m 7 mei 2022. De galerie is geopend van donderdag t/m zaterdag van 11.00 – 18.00 uur.

Terug naar je roots

,,Op een gegeven moment wist ik dat mijn krantenleven klaar was. Een paar jaar geleden bij het Parool en enkele maanden terug ook bij NRC, omdat ik ruimte wilde scheppen voor mijn vrije bestaan. Terugverlangend naar de puber die besmuikt op zijn jongenskamer stiekem zijn tekeningen zit te maken. Dat bevalt me wel weer na al die jaren krantenwereld, eindelijk niet meer in dienst van de recensie en het politieke commentaar. Als dat ophoudt, kom je terecht in een leegte en stilte die je terugvoeren naar je roots. De vraag ‘Wat zal ik vandaag nou eens gaan tekenen?’, die ik herkende van toen ik zestien was’’, vertelt de tekenaar, nog voor er al van enig interview sprake is. Geen vraag gesteld, maar Paul van der Steen heeft in woord en beeld genoeg te vertellen, alsof er geen tijd te verliezen valt.

Met ‘De paardenmeisjes van Lochem’ is de tekenaar terug bij zichzelf als beginnend adolescent: ,,Dat rare pubergevoel: een natuurlijk jongensverlangen naar het meisje. Daar zit vanzelfsprekend meteen erotiek aan vast. Maar er komt meer bij, zoals vragen over schuld en onschuld… Op mijn leeftijd in deze fase ben ik opnieuw benieuwd naar wat er achter die onschuld schuilt en wat eraan ten grondslag ligt. Ik kan week worden van die onschuld, ook nu nog. Onschuld en schuld roepen vanzelf de associatie op met meisjes in het algemeen – los van de (on-)schuldvraag – met prinsessen op de erwt en tennismeisjes in het bijzonder, maar net zo goed met de Onze Lieve Vrouw van Borculo, de gemeente waar ik sinds een paar jaar woon.’’

Onschuld

Paul wijst in de galerie op een gouache van een prinses op een mintgroene achtergrond: ,,Neem haar nou. Die heeft al een blik in haar ogen waarvan je kunt vermoeden, dat er iets achter zit, dat vast niet helemaal koosjer is. Ik heb een vriendin-kunstenaar die dan tegen me zegt dat ze het niet helemaal vertrouwt, wat ik teken. Maar of dat nou gaat over die onschuldige meisjes die ik neerzet, of over mijn eigen vuiligheid, dat weet ik eigenlijk zelf net zo min. Goed, als je 35 jaar honderdduizend portretjes voor de krant hebt getekend, ga je opnieuw op zoek naar de drijfveren in jezelf. Onschuld is dan nog al saai en niksig. Je gaat op zoek naar het contrast en vindt de schuld er vanzelf bij.’’ En terugdenkend aan zijn jongensjeugd: ,,Ik voelde me als puberende jongen écht wel schuldig tegenover mijn ouders, over de verborgen boekjes en de verborgen tekeningen die ik maakte.’’

Artistiek kun je als jong kunstenaar behoorlijk in een kast zitten waar je niet zomaar publiekelijk durft uit te komen. Dat is Van der Steen zich terdege bewust, blijkt bij deze expositie. Hij maakt van de gelegenheid gebruik om zijn voormalige stagiaire Edu Wolf in het zonnetje te zetten. Bij galerie KruisWeg68 verschijnt een uitgave van uitgeverij Xtra met afbeeldingen van Wolf, die zijn exposerende nestor met een knipoog ‘Oom Steen’ noemt.

Onbesuisde versie

Maar wat vindt ‘Oom’ daar zelf van? Paul: ,,Edu maakt de onbesuisde versie van mijn werk. Hij is de ultieme puber die met niemand rekening houdend tekeer trekt in zijn schetsboeken. Ik vind dat het tijd is om zijn werk nu aan den volke te tonen. Hij is er nu aan toe om naar buiten te treden. Hij heeft bij mij stage gelopen. Ik heb hem de techniek gegeven. Hij heeft die aangegrepen om zijn thema uit te diepen. Dat leidt tot een onbesuisde versie van mijn werk, de ultieme puber in het diepste van zijn schetsboeken, die, met niemand rekening houdend tekeer trekt.’’

Van der Steen en ik lopen samen over de tentoonstelling langs een aantal van zijn tekeningen en gouaches. In een door rose tule omfloerste potloodtekening van vier vrouwen in zwart-wit staat de tekst ‘Нет войне!’, ‘Geen oorlog!’, de Oekraïense boodschap aan de Russische bezetter. Komen het recalcitrante van de puber en het rebelse van de politiek commentator en de eigenzinnige cartoonist hier toch weer samen? De kunstenaar doet er niet al te expliciet over en blijft voor een moment gehuld in stilzwijgen.

Weglaten of vullen

Maar niet voor lang. Even verder gaat het over vreten of gevreten worden: wolven, honden en meisjesfiguren wedijveren om wie overwint of ten prooi valt. Bij een serie potloodtekeningen waarin het zwart overheerst, staat de maan centraal. Welbeschouwd is alles getekend behalve die leeg gelaten volle manen, die des te sterker uit zijn werk naar voren komen. ,,Weglaten is oneindiger dan vullen, een eerbetoon aan de maagdelijkheid’’, overweegt Paul van der Steen. ,,Jongens willen almaar alles vullen, omdat ze die onschuld niet aankunnen.’’

Hij vertelt het als een soort vanzelfsprekendheid, terwijl we van de maan-portretten naar een van Pauls favoriete onschuld-tekeningen achterin de galerie lopen. Naast twee huilende kinderen die schuil zoeken bij elkaar zuigt een meisje, hoegenaamd onschuldig, aan een rietje uit een glas. Op de achtergrond staat een huis of boerenhoeve in brand. ,,Dat meisje is voor mij misschien wel het ultieme beeld van de onschuld’’, oordeelt hij zelf.

Maar met dat idee voor ogen, kan de kijker en bezoeker van ‘De paardenmeisjes van Lochem’ ook uitkomen bij een tekening in het middengedeelte van de expositieruimte. Een meisjeshoofd ontbeert niet alleen een rietje, maar ook ogen, neus en lippen. Dat roept eens temeer de vraag op wat er schuilgaat achter wat je niet kunt of mag zien. In dier voege is het prettig speuren naar je eigen jeugdige verlangen en gevoel van tederheid uit een verleden, de hunkering naar iets wat je bent vergeten, maar nog altijd beklijft.

Kapellekensbaan

Paul van der Steen denkt bij de opening van ‘De paardenmeisjes van Lochem’ in epische herinnering even terug aan ‘De Kapellekensbaan’ van de Vlaamse litterator Louis Paul Boon. Bij Boon gaat het volgens de achterflap van het boek over ,,De brutale en sluwe Ondineke Bosmans die haar vlechtjes, haar borstjes en haar charme in de strijd gooit om hogerop te komen en te ontsnappen aan het grauwe bestaan in ‘de stad van twee fabrieken, waar het altijd regent, zelfs als de zon schijnt.’’ Zij probeert te ontsnappen aan het Aalst van de dekenfabriek en de lakenfabriek.

De tekenaar Van der Steen beschouwt De Kapellekensbaan van Boon als een roman over verlies en verval, maar het is wel een van zijn favoriete boeken: ,,Ik heb het in mijn hart gesloten. Het gaat me er niet om of je van een dubbeltje een kwartje kunt worden of van een centime een frank, maar Boon zegt de dingen wel, waar ze op staan. Dat spreekt mij erg aan.’’

,,Schuld en onschuld. In hoeverre kan ik op mijn leeftijd nog met dat thema op de loop gaan? ‘De Paardenmeisjes…’ is wel de onschuldigste titel die je meisjes mee kunt geven. Oei, kan dat nog wel? Kun je dat als 68-jarige nog uit je bek en uit je pen of potlood krijgen? Maar in deze tijden van moreel besef van dit mag wél en dat kan níét, mag ik graag af en toe mijn kont tegen de krib gooien’’, besluit de kunstenaar.

Auteur: Nuel Gieles

Frans Vendel gaat uit van weeffoutjes als concept

‘Mistɐkes are oké’ heet de nieuwe expositie bij galerie Kruis-Weg68, waarin het werk van de Haarlemse beeldend kunstenaar Frans Vendel centraal staat. Zijn fascinatie voor wat soms anders gaat dan vooraf gepland, lijkt in eerste instantie misschien een niet zo voor de hand liggend uitgangspunt voor creativiteit. Vendel realiseerde zich de afgelopen jaren echter steeds vaker dat een afwijking van het voorgenomen patroon juist als inspiratiebron kan dienen: MISTⱯKES ARE OKÉ.

,,Vroeger leerde je dat fouten maken niet hoort en dat je foutjes moest ontwijken. De afgelopen paar jaar heb ik veel werk gemaakt, waarbij ik uitga van de weeffoutjes die afwijken van het oorspronkelijke concept. Maar als je daar even niet bij stilstaat, ontdek je hoe prettig het is om af te wijken van het idee dat je aanvankelijk in je hoofd had’’, aldus de in 1955 in Haarlem geboren kunstenaar.

Putdeksel

In de galerie kijken we naar een werk waarvoor het het idee is ontleend aan een verdraaid putdeksel. Vendel: ,,Het idee daarvoor heb ik bijna letterlijk van straat opgeraapt. Ik zag dat verschoven deksel en werd getroffen door de verschoven structuur van het patroon. Als zoiets zich voordoet, ga je opeens anders naar dingen kijken. Dat had ik daarvoor trouwens al vaker ervaren. Door de dingen op een andere manier te bezien ga je als beschouwer op zoek naar een spanning die je daarvoor nog niet hebt waargenomen.’’

,,Het komt regelmatig voor dat er in het linnen dat ik gebruik ook al een weeffoutje zit. Daar mag ik graag gebruik van maken. Noem het maar ‘out-of- the-box-denken’. Al moet zo’n afwijking van het geplande wel iets zijn waar je wat mee kunt. Niet alles wat afwijkt van het idee leent zich ervoor om erop voort te bouwen. In dat opzicht ben ik dan ook weer consequent.’’

Iets bereiken

Frans Vendel ging na de middelbare school kunstgeschiedenis studeren aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. ,,Van huis uit kregen wij mee dat je een opleiding moest volgen waar je iets mee kon bereiken. Mijn broer heb ik zelf naar de Gerrit Rietveld Academie gebracht, al vonden ze dat thuis maar niks. Op een gegeven moment begreep ik dat ik zelf ook de stap moest maken van de VU naar de Rietveld. Ik tekende al wel, want eigenlijk ben ik op mijn tekeningen aangenomen. Ook als ik nu nog teken is dat vrij klassiek en figuratief. Maar toen ik eindelijk op de academie rondliep, voelde ik me daar meteen thuis. Dat had ik natuurlijk meteen moeten doen, besefte ik. Het zijn tot dusver de beste vijf jaar van mijn leven.’’

,,De eerste tijd op de Rietveld was ik bezig met sponsen en doeken, en vooral figuratief. Op een bepaald moment ging ik aan de slag met afdrukken van groot opgeblazen foto’s. De structuur van de korrels en pixels ging me steeds meer obsederen. Die vormen gingen steeds meer een eigen leven leiden. Vanuit die fascinering ben ik abstract gaan werken. Zo zijn mijn monochrome doeken ontstaan. Drie, vier, vijf jaar geleden heb ik me verdiept in de combinatie van curves en rechte vlakken. Dat de kleur zijn intrede doet, is pas van de laatste
tijd, het afgelopen jaar. Ik meng mijn kleuren altijd zelf. Kleurtinten in dezelfde warmte-intensiteit. Dat ervaar ik als een toevoeging en een aanvulling.’’

Bij Kruis-Weg68 zijn werken van Vendel op zichzelf of weer in samenhang tot andere uitingen van zijn kunst tentoongesteld. Zijn schilderijen gaan bedoeld of onbedoeld in de galerie een relatie met elkaar aan. ,,Als ik het zelf zou mogen bepalen komt mijn werk het best een op een tot zijn recht: één werk in één ruimte. Ik kan heel lang veranderingen aanbrengen in iets dat ik gemaakt heb. Maar als het een tijd de rust heeft gehad, is het voor mij af. Wat hier in de galerie hangt, dat is voor mij klaar. Ik ben er heel blij mee hoe mijn werk hier tot zijn recht komt in de galerie van Michel en Joke. Mijn ervaring is dat het publiek beter kan kijken dan ik had verwacht.’’

Iets in je opnemen

In beginsel ga ik ervan uit dat mensen slecht kijken. Maar dat valt in de praktijk vaak erg mee. Zien is wat mij betreft iets in je opnemen. Dat gaat verder dan kijken. Wie alleen maar kijkt, mist de helft. Niets zo erg als iemand die een hoofd om de hoek van de deur steekt bij een expositie en zegt: ‘Oh, dit is niks voor mij’ en verder gaat. Ik vind het nou net zo leuk om in gesprek te komen met mensen die juist verder willen kijken om tot zien te komen’’, besluit Frans Vendel.

Tekst: Nuel Gieles

MISTⱯKES ARE OKÉ

De tentoonstelling ‘MISTⱯKES ARE OKÉ’ is tot en met 2 april te zien bij galerie KRUIS-WEG68 van donderdag tot en met zaterdag tussen 11.00 en 18.00 uur. Bij de expositie is een video over het werk van Frans Vendel te zien, gemaakt door Berne Vendel.

Jet van Gaal legt kwetsbaarheid zelfverzekerd vast

Jet van Gaal

Kachou Fuugetsu heet de foto-expositie van Jet van Gaal die tot en met 26 februari te zien is bij galerie KRUIS-WEG68. ‘Bloem-vogel-wind-maan’ is het scala begrippen dat ligt besloten in de Japanse titel van het fotoproject dat momenteel artistiek haar aandacht opeist. Een ‘work in progress’ noemt de fine-art-kunstenaar het zelf, in de waarschijnlijke wetenschap dat haar Kachou Fuugetsu nooit tot een definitieve afronding zal komen.

‘Een foto onttrekt zich aan de pure lichamelijkheid, zodat het naakte niet naakt meer is’

Jet van Gaal (1982) groeide op in het Limburgse dorp Wellerlooi. Op haar negentiende vertrok ze naar Nijmegen om daar een mbo-opleiding modestyling te volgen. Daar maakte zij kennis met de fotografie die werd gebruikt bij de vakken styling en etaleren. Daarna volgde de fotovakschool in Rotterdam waar het accent voor haar steeds meer op de modefotografie kwam te liggen. ,,Daar merkte ik al snel dat ik met mijn foto’s liever de verhalen achter de mensen wilde vertellen.’’

Jet van Gaal

,,Ik ben van oorsprong een meisje dat uit een klein dorp afkomstig was’’, vertelt Van Gaal. ,,Ik ontdekte steeds meer dat ik met een camera in een wereld kon kruipen die nieuw voor me was, waarmee ik tegelijkertijd er achter kwam wie ik zelf eigenlijk was. Het kwam me vaak wel goed uit, die camera waar ik me achter kon verstoppen. Achteraf realiseerde ik me dat ik ook vaak op emoties van mensen focuste. Die mode waarmee mijn fotografie was begonnen, kwam me hoe langer hoe meer nogal gemaakt over. Ik wilde van de buitenkant steeds meer naar het innerlijk. Dat resulteerde in series van personen met een downsyndroom tot een reportage over een privéhuis, een bordeel. Dan merk je dat er nog heel wat angsten zijn te overwinnen.’’

Blueprint

,,In 2016 ben ik de academie in Amsterdam gaan doen. Ik wilde verder de diepte in om erachter te komen wie ik zelf ben. Wat zijn de stukjes van mezelf in wat ik met mijn foto’s laat zien… Dat resulteerde in mijn Blueprint-serie. De mensen die ik daarvoor heb geportretteerd waren als individu of als model in veel gevallen heel kwetsbaar. Dat vraagt van me dat ik zelf los moet komen van mijn camera om mensen aan te kunnen spreken. Op een keer had ik afgesproken om een vrouw met moedervlekken op haar lichaam te fotograferen. Op het laatste moment wilde ze ervan afzien uit een vorm van schaamte. Ik heb haar uitgelegd dat het me om de schoonheid ging en dat ik haar huid op een stilistisch mooie manier wilde fotograferen. Daar stemde ze na ons gesprek mee in. Ik laat zien wat het is. Toen ik haar de resultaten naderhand liet zien, was die vrouw er zelf op een positieve manier door ontroerd.’’

,,Tja, wat is er nou eigenlijk mis met de sproeten van dat sproetenmeisje dat bij Kruisweg te zien is. Een foto onttrekt zich aan de pure lichamelijkheid, zodat het naakte niet naakt meer is. De huid kun je zien als de blauwdruk van het leven. Die blueprint mag gezien worden, met alles wat het leven en de tijd er op hebben achtergelaten. Een litteken op de huid, daar zit altijd een verhaal achter. Soms heel klein, soms heel diep. Ik kwam in die tijd in contact met een meisje dat zichzelf sneed. Van zichzelf en in haar manier van doen een sterke vrouw, maar daar gaat dan toch een heel verhaal achter schuil. In 2018 heb ik dat project afgerond’’, aldus de kunstenaar.

‘Flower, bird, wind, moon’

De begrippen bloem, vogel, wind en maan vormen een belangrijk uitgangspunt voor de Japanse esthetiek en opvattingen over schoonheid en kunst. Bij de oosterse filosofie kwam Jet van Gaal terecht toen zij zich op haar innerlijk richtte en kennismaakte met meditatievormen en ‘wabisabi’, de Japanse leer waarin imperfectie, schoonheid en vergankelijkheid een rol spelen. De fotograaf: ,,De interesse voor Japan deel ik met mijn vriend. De afgelopen twee jaar heb ik ook meer de tijd gehad me wat meer in mezelf te keren en vaker de natuur in te gaan: introspectie. Daar hoorde ook bij dat ik de natuur ging fotograferen, alsof ik er portretten van maakte. Dat matchte met wat ik voel en wil laten zien. Ik vond het niet kloppen dat ik alleen maar mensen fotografeerde. Die natuur om ons heen hebben we zo hard nodig om te kunnen en mogen doen wat we doen. Wabisabi in combinatie met de natuur brachten me bij het thema van deze expositie als een nieuwe rode draad.’’

Kleur leidt af en haalt de tijd weg

De foto’s in galerie Kruis-Weg68 zijn in zwart-wit afgedrukt op Japans papier, Awagami Kozo White. ,,Geen kleur voegt voor mij iets toe aan de schoonheid die ik vastleg. Het geeft de mogelijkheid om accenten net even anders te leggen. Kleur leidt af en haalt de tijd weg. Van oorsprong heb ik een voorliefde voor klassieke fotografie. Het werk dat je hier ziet, is allemaal digitaal geschoten, maar ik wil graag de ouderwetse analoge manier van werken weer oppakken.’’


,,Door in de natuur te zijn, ervaar en zie je hoe alles op elkaar is afgesteld en doorontwikkeld. Soms doen dingen in de natuur elkaar geweld aan, maar nooit zonder reden. Het nadenken over de samenhang tussen die vier begrippen gaat gewoon verder. Vooral die maan vind ik interessant. Daar ben ik nog niet uit. Moet ik dat zoeken bij de aantrekkingskracht, de invloed van de maan op eb en vloed. Dat begrip bloem, daarbij denk ik aan de wens tot groei, de intentie van schoonheid tot in de details. Maar ook de systematiek in de natuur spreekt mij aan. Die noemen ze wel de ‘fingerprint of God’. Dat spreekt me wel aan. Maar de natuur staat voor mij ook voor Moeder Aarde en de moederenergie’’, zegt Jet van Gaal die in april zelf moeder wordt. ,,Vrouwelijke energie komt voort uit innerlijke kracht. Mannelijke energie is meer gericht op de buitenwereld. Het gevoel laat zich in het vrouwelijke vaak meer zien. Dat hebben we in deze wereld hard nodig. Als je een kind op de wereld gaat zetten, vraag je je ook af waar je dat kind op achterlaat.’’ De verbondenheid en het respect voor de natuur in het werk van Jet van Gaal spreken wat dat betreft voor zichzelf.

Tekst: Nuel Gieles

‘Kachou Fuugetsu’ van Jet van Gaal is nog tot 26 februari te zien bij KRUIS-WEG68, geopend do.-za., 11-18 uur.

Scroll naar top